Opinieartikel over materiële hulp

Vorige week verscheen in zowel het Nederlands Dagblad als het Reformatorisch Dagblad een artikel over materiële hulp, geschreven door GAiN’er Janine van Zoest. 

Veel hulp- en ontwikkelingsorganisaties vervoeren hulpgoederen als kleding, dekens en voedsel naar het buitenland. Steeds vaker klinkt de vraag of dit moreel juist is. Waar ligt de grens tussen het buitenland, veelal Oost-Europa, als ‘afvoerput’ en doordachte materiële hulp? Janine van Zoest: ‘Materiële hulp hoeft niet te stoppen, maar het karakter ervan moet veranderen.’

Ik constateer de positieve ontwikkeling dat mensen kritische vragen stellen aan hulp- en ontwikkelingsorganisaties welke werkzaam zijn in het buitenland. Positief, omdat het mijns inziens betekent dat mensen betrokken zijn bij de situatie, in plaats van deze onverschillig ter zijde te schuiven. Organisaties zouden er verstandig aan doen om dergelijke kritische vragen niet gemakkelijk weg te wimpelen, maar er serieus mee aan de slag te gaan.

Materiële hulp
Steeds meer kritische vragen betreffen de materiële hulp die verscheidene hulp- en ontwikkelingsorganisaties in het buitenland, en met name in Oost-Europa bieden. Is dit niet achterhaald? Wordt de lokale economie erdoor gefrustreerd? Kun je niet beter financiële middelen sturen?
Zelf ben ik werkzaam bij een internationale hulporganisatie welke nog altijd materiële hulp biedt in Oost-Europa. Stichting GAiN (Global Aid Network) krijgt eveneens te maken met kritische vragen en die pakken we serieus op. Mede door verschuivingen in vraag en aanbod is de gehanteerde methode geleidelijk veranderd.

Vraaggestuurd werken
Eén van de belangrijkste ontwikkelingen in materiële hulp is de verschuiving van het ‘zomaar’ aanbieden van hulpgoederen naar vraaggestuurd werken. Wanneer een organisatie betrouwbare partners in het veld heeft, kunnen deze worden ingezet om onder de doelgroep te inventariseren welke vraag er is en deze te verwoorden naar de hulporganisatie. Door deze werkwijze komen de juiste goederen in de juiste hoeveelheden op de juiste plaatsen terecht.

Frustratie lokale economie
Er wordt regelmatig gesuggereerd dat het beter zou zijn goederen in het buitenland aan te kopen en vervolgens te distribueren onder de doelgroepen. Onze hulporganisatie – en waarschijnlijk spreek ik dan voor meer organisaties in deze branche – is zeer zeker niet uit op het frustreren van lokale economieën. Daarom wordt voor specifieke goederen altijd geïnventariseerd of er mogelijkheden zijn deze in het land zelf aan te kopen. Er is echter vaak sprake van verschil in kwaliteit; schoolmeubels welke in Armenië waren aangekocht, gingen bijvoorbeeld maar vier jaar mee, terwijl tweedehands schoolmeubels uit Nederland nog twintig jaar in Armenië konden worden gebruikt. Voor goederen als kleding, schoenen, speelgoed en dekens is het nog altijd financieel aantrekkelijker deze vanuit Nederland naar Oost-Europa te vervoeren.

Win-win situatie
Er ontstaat zo een win-win situatie: in Nederland wordt de duurzaamheid van goederen bevorderd, terwijl op de plaats van bestemming tegemoet wordt gekomen aan de specifieke vraag van de lokale bevolking naar dergelijke goederen. Daarbij moet worden opgemerkt dat de lokale economie niet wordt gefrustreerd, daar de materiële hulp gericht is op doelgroepen welke zelf geen middelen hebben om goederen aan te schaffen. Met de aanvoer van goederen vanuit het buitenland wordt dus geen natuurlijke gang van zaken in de lokale economie verstoord.

Wederkerigheid
Belangrijk bij materiële hulp is het aspect van wederkerigheid. Hulporganisaties moeten ervoor waken dat doelgroepen afhankelijk worden van de gegeven materiële hulp. Dit is een verschuiving die reeds decennia plaats vindt. Enerzijds heeft de zogenaamde Eerste Wereld haar aandeel in het bestaan van de Derde Wereld en daardoor wellicht een bepaalde verantwoordelijkheid tot zorg; anderzijds moet er worden gewaakt voor vermeende superioriteit van de Eerste Wereld ten opzichte van landen die buiten deze categorisering vallen. Mijns inziens zou materiële hulp in alle gevallen slechts een facilitaire functie moet vervullen voor breder georiënteerde projecten.

Geen afvoerput
Gevers van goederen in Nederland zouden te allen tijde op de hoogte moeten worden gehouden van ontwikkelingen bij hulp- en ontwikkelingsorganisaties. Het is bemoedigend om te zien dat mensen met goede intenties de duurzaamheid van de door hen eerder aangeschafte goederen willen bevorderen door deze in een andere omgeving een ‘tweede leven’ te geven. Tegelijkertijd moet ook duidelijk zijn dat mensen in Oost-Europa of elders geen afvoerput zijn: zij zijn niet minderwaardig en kunnen niet worden opgescheept met bijvoorbeeld afgedankte kleding welke niet schoon is of kapot wordt aangeleverd. Goede intenties moeten altijd in evenwicht zijn met de Bijbelse moraal: ‘Wat u wilt dat de mensen u doen, doe zelf evenzo.’ (Matteüs 7)

Ik pleit daarom voor de continuering van materiële hulp, mits deze nodig is, doordacht is en open staat voor ontwikkelingen naar aangegeven door de doelgroep en de achterban van een hulp- of ontwikkelingsorganisatie.